1. Home
  2. /
  3. Activiteiten
  4. /
  5. Wmo
  6. /
  7. Reactie gemeente op advies...
Reactie gemeente op advies Verordening Maatschappelijke Ondersteuning
Gepubliceerd op 4 april 2023

Geacht bestuur,

Op 24-9-2019 hebben wij u verzocht advies uit te brengen over de concept Verordening maatschappelijke ondersteuning Son en Breugel 2020 en het concept Besluit uitvoeringsregels Wmo 2020 gemeente Son en Breugel “De verordening in uitvoering”.

Op 29-10-2019 hebben wij uw uitgebreid advies ontvangen. Wij spreken onze dank en waardering daarover uit.

Zoals gebruikelijk gaan wij puntsgewijs in op het door u gegeven advies. Wij hebben uw brief dan ook integraal in onze reactie opgenomen.

“Per e-mail van de heer Das is ons op 24-9-2019 aangeboden de concept Verordening Wmo (verder te noemen V) en het concept Besluit uitvoeringsregels Wmo 2020 (verder te noemen U) met de vraag daarover aan uw college advies uit te brengen.

Wij hebben daartoe een werkgroep ingesteld met vertegenwoordigers van het CG-platform, de Stichting Belangenbehartiging Mantelzorgers, de Stichting 2109, de SeniorenRaad en PVGE afd. Son en Breugel onder voorzitterschap van ondergetekende namens het bestuur van de Adviesraad Sociaal Domein ( verder te noemen ASD).

De werkgroep heeft tweemaal overleg gevoerd met een ambtelijke delegatie, bestaande uit de heer Das en mevrouw Stoop. Bij de tweede bijeenkomst was het laatste gedeelte ook wethouder van Liempd aanwezig. In dit overleg is een flink aantal opmerkingen van onze kant direct verwerkt in de ons toegezonden tekst. Over die opmerkingen treft u dan ook geen advies aan in deze brief.”

Reactie college:

Wij hebben voor een werkwijze gekozen om gezamenlijk de Verordening en het Uitvoeringsbesluit door te lopen en daar waar mogelijk direct te verwerken in beide documenten. Over de aangebrachte wijzigingen zijn de ASD en ons college het dan ook eens.

“Daarnaast is er door ons schriftelijk een groot aantal tekstuele opmerkingen aan de ambtelijke delegatie gezonden; ook daarover treft u geen advies aan. In dit advies wordt verwezen naar de nummering in V, de toelichting op V en U, zoals die nummering aanwezig is in de ons op 24-9-2019 aangeboden stukken.”

Reactie college:
De tekstuele opmerkingen zijn verwerkt.

“Belangrijk is het om op te merken, dat er voor art. 16 V alleen concepttekst aangeleverd is onder voorbehoud van aanvullende informatie vanuit de VNG en dat er voor art. 17 V geen concepttekst aangeleverd is in afwachting van nadere informatie vanuit de VNG. De ASD gaat er van uit, dat eventuele wijzigingen in art 16 V op grond van de VNG informatie, alsmede de concepttekst van art. 17 V alsnog voorgelegd gaan worden voor advies door de ASD. Bedacht moet daarbij worden, dat deze artikelen, die gaan over de eigen bijdragen van cliënten, zeer belangrijke bepalingen in V zijn. Wij hebben begrepen, dat er ook teksten voor deze artikelen behoren te zijn vanaf 1-1-2020 indien er dan nog geen tijdige informatie vanuit de VNG zou zijn. Ook in dat geval verwachten wij, dat eventuele wijzigingen in art. 16 V en de concepttekst van art. 17 V ons voorgelegd zullen worden ter advisering.”

Reactie college:
Inhoudelijk is artikel 17 opgenomen in artikel 16. Er zijn verder geen substantiële wijzigingen doorgevoerd in artikel 16. Van de VNG is geen aanvullende informatie ontvangen die nu nog leidt tot een wijziging.

“Het bestuur brengt u op basis van de bevindingen van onze werkgroep de volgende adviezen uit.

Allereerst willen wij een algemeen punt over de positie van V aan de orde stellen. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (verder te noemen de wet) art. 2.1.3 lid 1 luidt: “De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen”. Het blijkt, dat er in Son en Breugel echter geen dergelijk plan conform art. 2.1.2 van de wet bestaat, maar dat de inhoud van Kader Sociaal Domein 2017 geacht wordt afdoende te zijn om te voldoen aan de wettelijke verplichting, dat de gemeenteraad in het kader van de wet periodiek een plan vaststelt. Naar het inzicht van de Adviesraad zou dat mogelijk kunnen als in dat Kader daadwerkelijk alle in art. 2.1.2 van de wet genoemde onderwerpen afdoende behandeld worden. Bij bestudering van het Kader blijkt dat bepaalde belangrijke onderwerpen uit art. 2.1.2 van de wet behandeld worden, maar er blijkt ook, dat een aantal voorgeschreven onderwerpen in het geheel niet of slechts op een zeer beperkte wijze behandeld worden. In bijlage 1 wordt een kort overzicht van de discrepanties aangegeven. Op grond hiervan luidt ons advies: Alhoewel de afwezigheid van sommige doelstellingen en concrete taakstellingen van het beleid op het sociale domein in Son en Breugel, conform art. 2.1.2 van de wet, te betreuren valt, is dat geen reden om negatief te zijn over V en U. Het is wenselijk, dat zo spoedig mogelijk het bestaande Kader geactualiseerd wordt, waarbij die onderwerpen, die momenteel ontbreken m.b.t. de wet opgenomen worden. Daarbij is essentieel, dat er geen sprake meer kan zijn van een kader van onbepaalde duur, maar dat een periodiciteit van vaststellen tot stand gebracht wordt, waar binnen de gekozen periode wordt aangegeven welke resultaten het gemeentebestuur wenst te behalen, welke criteria worden gehanteerd – 3 – om te meten hoe deze resultaten zijn behaald en welke prestatie-indicatoren worden gehanteerd t.a.v. aanbieders (art. 2.1.2 lid 6 van de wet).”

Reactie college:
Bij de vaststelling in 2017 van het Kader Sociaal Domein is bewust gekozen om daar geen termijn aan te verbinden. Er is bewust aansluiting gezocht bij de bestaande prioriteiten (eenzaamheid, dementie en mantelzorg) en de gemeentelijke P&C cyclus. Dit betekent dat doelstelling operationeel worden gemaakt binnen de begroting en dat verantwoording plaatsvindt via de jaarrekening. Monitoring vindt onder meer plaats door de bevolkingsonderzoeken van de GGD (4-jarige cyclus) en via de halfjaarlijkse presentaties aan de commissie Burgerzaken, waarbij u ook wordt uitgenodigd.. Destijds heeft u als Adviesraad positief geadviseerd over het Kader Sociaal Domein.

In de bijlage van uw advies verwijst u naar een aantal specifieke bepalingen in de wet. Inmiddels kunnen wij u melden dat het overleg met de zorgverzekeraars zich in een verkennende fase bevindt. In 2020 krijgt dit nader vorm in de vorm van het programma Langer Thuis.
Door de integrale werkwijze in het CMD zou er in beginsel geen belemmering hoeven plaats te vinden wanneer jeugdigen de leeftijd van 18 bereiken en mogelijk zijn aangewezen op een Wmo-voorziening. De afgelopen jaren hebben we geïnvesteerd in allerlei preventieve maatregelen (o.a. Veerkracht, GGZ-inloop, SonenBreugelVerbindt, AutoMaatje, Meedoen Werkt) om er voor te zorgen dat ingezetenen een eventueel beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnenvoorkomen of uitstellen.
Het inkoopbeleid Wmo voorziet voor een aantal producten/voorzieningen in een divers aanbod omdat gekozen is voor bestuurlijk aanbesteden. We hebben het dan vooral over begeleiding en huishoudelijke hulp. Ook aanbieders met een aanbod gericht op een bepaalde godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond kunnen gecontracteerd worden.

“Art. 1 V en toelichting
a. Algemeen gebruikelijke voorziening. Het nieuw geïntroduceerde begrip “niet veel duurder” is een belangrijke toevoeging. Het is erg vaag en zal in de praktijk tot veel discussie en ontevredenheid leiden en mogelijk tot een arbitraire uitvoering. Advies: Het is wenselijk om “niet veel duurder” te preciseren in U, bijvoorbeeld in de vorm, dat dit in de regel betekent niet meer dan 10% duurder. Beter is om in V aan te sluiten bij landelijk gangbare formulering van vergelijkbare kosten met in de markt verkrijgbare producten, diensten enz. “

Reactie college: Dit artikel is aangepast. De bij de verordening behorende toelichting geeft een nadere verduidelijking. We hebben er niet voor gekozen om een marge te hanteren zoals u voorstelt. Een marge van 10% vormt weer min of meer een harde grens die wij in dit geval als ongewenst beschouwen. “

b. In de toelichting is sprake van maatwerkvoorziening of pgb. Betekent die dat een pgb geen maatwerkvoorziening is? In art. 20 V is alleen sprake van een maatwerkvoorziening, terwijl het sterke vermoeden bestaat, dat bedoeld is dat de tekst ook van kracht is voor een pgb. In de wet art. 2.3.10 waarnaar in dit artikel 1 V verwezen wordt is wel sprake van maatwerkvoorziening of pgb. Advies: De terminologie moet consistent zijn in de gehele V, de toelichting en U. Alhoewel taalkundig o.i. niet juist adviseren wij vanwege de duidelijkheid toch overal waar dat relevant is, in overeenstemming met art 2.3.10 wet de terminologie “maatwerkvoorziening of pgb” te gebruiken.”

Reactie college: Het onderscheid dat de wetgever aanbrengt in artikel 2.3.10 van de wet ontgaat ons. In onze optiek is een pgb een verstrekkingsvorm van een maatwerkvoorziening. Dat geldt ook voor zorg in natura en een financiële tegemoetkoming. Wij nemen uw suggestie dan ook niet over.

“c. Het is de vraag of met de term “algemeen gebruikelijke voorziening” hetzelfde wordt bedoeld als met “algemene voorziening” in de wet. Indien dit het geval is, is er geen reden om in V en U “algemeen gebruikelijk voorziening” te hanteren.

Advies: Bezie de begripsbepaling m.b.t. voorzieningen opnieuw en sluit zo dicht mogelijk bij de wet aan.”

Reactie college:
In artikel 1 is het begrip ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ vervangen door ‘algemeen gebruikelijk’. Overigens is een algemene voorziening niet hetzelfde als algemeen gebruikelijk. De wet (artikel 1.1.1) definieert een algemene voorziening als volgt: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning

“d. Voorliggende voorziening wordt gedefinieerd als “algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de ondersteuningsvraag wordt tegemoetgekomen”. Een andere voorziening is bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening. Wij denken niet dat dit bedoeld is.

Advies: Heroverweeg de definitie.”

Reactie college:
Er wordt in dit geval inderdaad geen maatwerkvoorziening bedoeld, maar een aanspraak op een andere voorziening, bijvoorbeeld in het kader van de Zorgverzekeringswet. Een heroverweging zoals u voorstelt is dan ook niet aan de orde.

“Art. 10.1a en 10.2 V
Deze leden van art. 10 zijn nagenoeg gelijkluidend, maar tegenstrijdig.

Advies: Verwijder lid 1a.”

Reactie college:
De verordening is op dit onderdeel door ons aangepast.

“Art. 10.5 en 10.6 V
In het overleg met de ambtelijke delegatie bleek de wens bij haar te bestaan deze leden elders in V te plaatsen. Daar is geen bezwaar tegen, maar ze moeten wel in V gehandhaafd blijven.”

Reactie college:
Dit is verplaats naar artikel 8 lid 2. In de toelichting op dit artikel is het e.e.a. nader uitgewerkt.

“Art.14 (ten onrechte 15 genoemd in het toegezonden concept) V
Advies: Dit artikel is gelijkluidend aan Art. 8.2 V en kan dus vervallen. “

Reactie college:
Dat is juist. De verordening is hier op aangepast.

“Art. 16.5 V
Het woord “bijdrage” is verwarrend; het betreft de betaling voor het CVV, gelijk aan wat betaald moet worden voor het openbaar vervoer. Advies: Gebruik een ander woord, bijv. betaling. “

Reactie college:
Het woord’ bijdrage’ is gewijzigd in ‘reizigerstarief’

“Art. 22 V
Mantelzorgers willen met reden enige zekerheid hebben over de te verwachten jaarlijkse mantelzorgwaardering. Advies: Specificeer de mantelzorgwaardering in V of in U, ter uitvoering van de wet art. 2.1.6.”

Reactie college:
In het Uitvoeringsbesluit zijn de bedragen opgenomen.

“Art. 24 V
In de inhoud is alleen sprake van diensten. In de kop van het artikel is sprake van diensten en voorzieningen.

Advies: In elk geval moet helder zijn of het artikel voor diensten of voor diensten en voorzieningen bedoeld is. Wij zijn geneigd te bepleiten, dat er voor de onderwerpen, die in het artikel genoemd worden zowel bepalingen voor diensten als voor voorzieningen in V dienen opgenomen te staan. Wij hebben echter geen oordeel of die bepalingen voor diensten en voorzieningen (nagenoeg) letterlijk hetzelfde kunnen zijn of dat er verschillen geformuleerd behoren te worden.”

Reactie college:
Het gaat hier om voorzieningen zoals bepaald in artikel 1.1.1 van de wet (voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening). Een voorziening kan dus ook een dienst zijn. Het artikel is aangepast door als begrip voorzieningen te hanteren en het woord diensten te schrappen. In de toelichting op de verordening wordt het woord diensten nog wel gebruikt.

“Art.25 en 26

  • a. In beide artikelen is sprake van een cliëntervaringsonderzoek. Advies: Laat duidelijk zijn of dit dezelfde cliëntervaringsonderzoeken (met vraagstellingen over beide onderwerpen) zijn of dat het verschillende onderzoeken zijn. “

Reactie college:
Het gaat alleen in artikel 25 om het cliëntervaringsonderzoek. In artikel 26 is cliëntervaringsonderzoek geschrapt.

  • “b. Er is geen reden om in art. 25.2 en 26.1 niet ook diensten te bedoelen. Het is mogelijk om van mening te zijn, dat door aanbieders te leveren diensten automatisch onder het begrip voorziening vallen. In de wet wordt voorziening gedefinieerd als “algemene voorziening of maatwerkvoorziening”. Bij hanteren daarvan (hetgeen o.i. de voorkeur heeft) vallen de door aanbieders te leveren diensten inderdaad automatisch onder het begrip te leveren voorzieningen. Advies: Handhaaf de tekst van art 25.2 en 26.1 en ga in V, de toelichting op V en U na of deze terminologie systematisch gehanteerd wordt. (een kop als boven art. 24 kan dan niet: het moet zijn “voorzieningen” of “diensten”) “

Reactie college:
Uw suggestie is overgenomen. In betreffende artikelen is naast voorzieningen ook diensten opgenomen.

“Art.27 V
Art. 2.1.3.3 wet luidt: “in de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij:

a. In de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor beleid te doen;
b. Vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
c. Worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen
d. Deel kunnen nemen aan periodiek overleg
e. Onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden
f. Worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie”

In de verordening wordt de wijze waarop uitvoering gegeven aan de punten a t/m f niet geregeld. Er wordt uitsluitend vastgelegd, dat het college er zorg voor dient te dragen en dat het nadere regels kan vaststellen. In U worden geen regels vastgesteld en ook anderszins zijn er geen ons bekende regels vastgesteld. Er is wel een convenant met de ASD. Hierin staan enkele tussen het college en de ASD gemaakte afspraken. De ASD is zeker in zijn algemeenheid niet ontevreden over de wijze waarop het college in zijn richting uitvoering geeft aan de punten a t/m f. Maar de ASD begrijpt niet, waarom de positie van hem niet in dit artikel opgenomen is (en ook niet in U of in een afzonderlijk besluit van de gemeenteraad of college). Gevolg hiervan is tevens, dat de relatie tussen de ASD en college voor de burger niet in gemeentelijke informatie (bijv. op de website) terug te vinden is. Vergelijking met andere gemeentes op internet laat zien, dat de positie van adviesraden op grond van art. 2.1.3.3 door de gemeente daar in de regel wel openbaar vastgelegd is1. 1Als voorbeelden op internet: In de gemeente Waalre eindigt lid 1 van het artikel over het betrekken van ingezetenen bij het beleid met de zin “Binnen de gemeente Waalre is dit een kernactiviteit van de Participatieraad Wmo” en in Nuenen is er zelfs een aparte verordening “Adviesraad Sociaal Domein Nuenen c.a. 2015”.

Advies:
In art. 27 wordt een lid opgenomen met de strekking, dat ingezetenen en cliënten vertegenwoordigd worden door de Vereniging Adviesraad Sociaal Domein Son en Breugel en dat het college met de ASD nadere afspraken maakt over de werkwijze.”

Reactie college:
Aan dit artikel is toegevoegd: Het college heeft ter uitvoering van het eerste en tweede lid een convenant afgesloten met de Adviesraad Sociaal Domein Son en Breugel.

“Art. 28 V
Onduidelijk is wat met “de beleidstermijn” bedoeld wordt. Ambtelijke toelichting maakt duidelijk, dat de beleidstermijn de looptijd van het beleidsbepalende Kader Sociaal Domein is, maar dat stuk heeft een onbepaalde looptijd. Dat is onbevredigend. Ook is het wenselijk aan te geven wat er gedaan wordt met het verslag dat van de evaluatie gemaakt wordt.

Advies:
a. Neem op, dat er in elk geval na vier jaar een evaluatie uitgevoerd wordt.
b. Neem op, dat het beleid aangepast wordt, indien uit de evaluatie de noodzaak daartoe blijkt.”

Reactie college:
Er is bij het opstellen van het Kader Sociaal Domein bewust gekozen om daar geen termijn aan te verbinden. Zo lang het Kader Sociaal Domein nog voldoet blijft het als algemeen -beleidsdocument behouden. Wanneer bijstelling gewenst is, nemen wij als college daartoe het initiatief.

“3.4 U
Hier wordt vermeld, dat normaliter uitgegaan wordt van een afschrijvingstermijn, die opgenomen is in de overeenkomst met de leverancier van hulpmiddelen. In art. 10.1f V wordt het criterium technisch afgeschreven gehanteerd.

Advies:
Onderzoek of deze twee formuleringen elkaar afdoende dekken. Zo niet: maak een keuze en vermeld die in V en U, zo ja: gebruik dezelfde terminologie in V en U. “

Reactie college:
In zowel de Verordening als het Uitvoeringsbesluit is er sprake van een (technische) afschrijvingstermijn.

“3.8 U
Niet opgenomen staat dat alleen tijdig beschikbare maatwerkvoorzieningen beschouwd worden. In art. 9 V staat correct geformuleerd, dat het uitsluitend om tijdig beschikbare voorzieningen gaat.

Advies
Voeg het criterium tijdig beschikbaar toe aan 3.8 U. Dit begrip dient ook toegevoegd te worden aan de toelichting op art. 8 V. “

Reactie college
Het begrip ‘tijdig beschikbaar’ is toegevoegd aan zowel de Verordening als het Uitvoeringsbesluit.

“4 U
De gemeente kan er naar streven zulke goede voorzieningen in natura beschikbaar te hebben, dat cliënten vaak daarvoor kiezen. Toch moet de cliënt, die voldoet aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen, zelf de onbelemmerde keuzevrijheid hebben om, alles overwegende, voor een pgb te kiezen. Het is niet wenselijk, dat de gemeente er naar streeft, dat cliënten geen voorkeur hebben voor een pgb, omdat alle gewenste voorzieningen op lokaal/regionaal niveau beschikbaar zijn. Advies: Wijzig bestaande tekst zodanig, dat hij in overeenstemming met bovenstaand uitgangspunt geformuleerd wordt (met uitzondering van het CVV, dat wel uitsluitend in natura wordt verstrekt) “

Reactie college:
Het Uitvoeringsbesluit is hierop aangepast door de passage ‘De gemeente streeft er naar dat cliënten geen voorkeur voor een pgb hebben, omdat alle gewenste voorzieningen op lokaal/regionaal niveau in natura aanwezig zijn, maar beseft dat dit niet in alle gevallen mogelijk is’ te schrappen. Vervolgens is de volgende tekst toegevoegd: ’Er kunnen zich echter ook situaties voordoen waarbij de cliënt de gevolgen van een pgb niet geheel kan overzien, waardoor het pgb als verstrekkingsvorm kan worden ontraden. In artikel 2.3.6. Wmo 2015 is bepaald dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt. Dit is geen kan bepaling maar een verplichtende bepaling.’ Uiteraard dient door de cliënt wel aan de wettelijke voorwaarden te worden voldaan.

“7.1.2 U
Onder C wordt aangegeven, wat van huisgenoten verwacht wordt onder algemeen gebruikelijke ondersteuning. Van alle personen van 23 jaar en ouder verwacht de gemeente dezelfde ondersteuning; er staat letterlijk “Van huisgenoten van 23 jaar en ouder wordt verwacht dat zij alle huishoudelijke taken overnemen”. Aangezien de gemeente leeftijd als indelingscriterium voor taakovername gebruikt is het voor de ASD duidelijk, dat er een leeftijdsbegrenzing thuis hoort bij deze verwachting. Het is irreëel en voor bepaalde ingezetenen uit de betreffende leeftijdscategorie kwetsend als de gemeente volledige inzetbaarheid voor alle huishoudelijke taken als uitgangspunt kiest. Natuurlijk is er een sterke differentiatie in de individuele mogelijkheden, maar dat rechtvaardigt nog niet het ingenomen uitgangspunt, dat alle leeftijden boven 23 jaar alle huishoudelijke taken overnemen. Advies: Vervang de omschrijving bij de leeftijdscategorie 23 jaar en ouder door “23 jaar en ouder wordt verwacht dat zij alle huishoudelijke taken overnemen, tenzij de huisgenoot door een beperking en/of chronische psychische en/of psychosociale problemen niet in staat is alle huishoudelijke taken over te nemen. In dat geval zal uitsluitend verwacht worden dat die taken overgenomen worden, die in redelijkheid mogelijk zijn. Voor de leeftijdscategorie 80 jaar en ouder zal het uitgangspunt zijn, dat alleen die taken overgenomen worden, die voor betrokkene zelf acceptabel zijn.”

Reactie college:
Deze bepaling is afkomstig uit het CIZ protocol voor gebruikelijke zorg dat al jarenlang gehanteerd wordt en daarmee gemeengoed is geworden. Er is voor ons geen reden om aan de essentie daarvan te gaan tornen. Echter, we begrijpen wel waar u op doelt. Dat is dan ook de reden dan we de omschrijving bij alle leeftijdscategorieën enigszins hebben aangepast door te verwijzen naar jurisprudentie en op te nemen dat ‘in zijn algemeenheid mag worden verwacht’ in plaats van ‘wordt verwacht’. Dit brengt naar onze mening voldoende nuance aan in het CIZ protocol.

“7.4.2 U
Onder verhuiskosten staat “de kosten van herinrichting vallen dus in principe niet onder de verhuiskosten en worden ook niet op grond van de Wmo als maatwerkvoorziening verstrekt. In art. 8.2b 1e en 10.5 V is echter sprake van de mogelijkheid van een vergoeding van herinrichtingskosten. Uitsluiten daarvan in U is niet mogelijk. Advies: Pas de tekst in 7.4 U zodanig aan, dat concreet aangegeven wordt in welke gevallen er sprake kan zijn van een herinrichtingskostenvergoeding. Losstaande van de advisering m.b.t. de voorliggende tekst leiden bij de werkgroep bekende problemen onder (potentiele) cliënten en andere belanghebbenden (bijv. mantelzorgers) tot het verzoek aan het college om aan de volgende onderwerpen aandacht te besteden. a. De regelgeving voor respijtzorg (7.8 U) is zodanig ingewikkeld, dat betrokken mantelzorgers hierdoor soms afgeschrikt worden om een in hun ogen redelijk verzoek in te dienen. Valt er nog iets te vereenvoudigen in de regels en/of aanvraagprocedure? “

Reactie college:
Het Uitvoeringsbesluit is niet bedoeld om door inwoners/cliënten te worden gebruikt om aanspraak op een Wmo voorziening te kunnen maken, maar is bedoeld als handreiking voor CMD-casusverantwoordelijken om met een passende oplossing te komen.

“b. In V en U wordt geen aandacht gegeven aan de soms voorkomende aparte problemen van ZZP-ers, die vanuit de huissituatie proberen inkomen te verwerven. Kan er bij de uitvoering van V en U rekening gehouden worden bij de vaststelling van geschikt maatwerk en/of bij de toepassing van de hardheidsclausule (art. 30 V) met de grote waarde voor de ZZP-er om een inkomstenbron te blijven houden?

Reactie college:
Het is uiteraard uitermate ongewenst dat er sprake is van een inkomensachteruitgang bij ZZP-ers die in de thuissituatie mantelzorg dienen te verlenen. De Wmo is er echter niet voor – 9 – bedoeld om deze inkomensachteruitgang financieel te compenseren. Dat geldt ook voor de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.

Verder wijzen wij u nog op het volgende. In de voetnoot, die aangeduid wordt met 2, op pag. 10 van U wordt een definitie van “sociaal netwerk” gegeven, die weliswaar beeldend aangeeft wat bedoeld wordt, maar nogal afwijkt van art 1.1.1 van de wet, waarin de definitie als volgt luidt. “Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.” Aanpassing van de voetnoot is voor ons niet nodig, maar in geval van besluitvorming op basis van de definitie dient wel rekening gehouden te worden met de wettelijke tekst. (verander overigens voetnoot 2 in voetnoot 1, omdat er geen voetnoot 1 is) “

Reactie college:
We hebben deze voetnoot geschrapt en er in de tekst van het Uitvoeringsbesluit verwezen naar de definitie zoals opgenomen in artikel 1.1.1. van de wet.

“Tenslotte leggen wij u nog het volgende verzoek voor. In V wordt op meerdere plaatsen aangegeven, dat het college uitwerking in de vorm van regels kan of gaat stellen. Teneinde de overzichtelijkheid te behouden vinden wij het verstandig om dergelijke nadere uitwerkingen, zo enigszins mogelijk, op te nemen als addenda in U. Alleen dan is het voor geïnteresseerden mogelijk om zonder veel zoekwerk kennis te nemen van alle vigerende regelgeving. Daarbij gaan wij er van uit, dat het college op dezelfde wijze als V conform art. 32.3 V ook U publiceert op de website van de gemeente.”

Reactie college:
In het Uitvoeringsbesluit zijn eerder vastgesteld beleidsregels – voor zover deze nog gelden voor 2020 – als bijlage opgenomen. Vanzelfsprekend is ook het Uitvoeringsbesluit via de gemeentelijke website beschikbaar.

Met vriendelijke groet,

Burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

De burgemeester,
Hans Gaillard

De secretaris,
Rien Schalkx