1. Home
  2. /
  3. Activiteiten
  4. /
  5. Overige onderwerpen
  6. /
  7. Armoede
  8. /
  9. Reactie op commentaar Sociaal...
Reactie op commentaar Sociaal Noodfonds Son en Breugel 2023
Gepubliceerd op 21 april 2023

De ASD heeft commentaar gegeven op het concept voor de beleidsregels Sociaal Noodfonds Son en Breugel 2023. Hieronder volgt de reactie op het commentaar. We formuleren eerst het commentaar van de ASD en geven daaronder onze reactie.

Algemene opmerking (van de ASD)

Algemene opmerking is, dat wij de in art.4 geformuleerde criteria veelomvattend en erg strikt vinden. In ons idee is het wenselijker meer vrijheid te laten aan de besluitvormer, zonder afbreuk te doen aan de essentiële doelstelling van het Noodfonds. Eerder hebben wij aangegeven, dat we graag zonder veel formaliteiten met een pilot periode zouden willen beginnen en door de evaluatie aan het einde van die periode (één of maximaal twee jaar) tot een definitieve structuur en regelgeving zouden willen komen.

Concreet stellen we daarom voor om te bezien of de volgende onderdelen niet beter geschrapt kunnen worden en daardoor geen dwingende eis meer zijn:

  • In 1b het woord “eenmalig”
  • 1f
  • 2

Het schrijnend zijn van een situatie wordt niet door deze belemmeringen om een bijdrage te geven bepaald; laat dit over aan de besluitvormer.

Het belangrijke punt 1c lijkt ons te ongenuanceerd. Het totale saldo van bank- en spaarrekening is te fluctuerend (begin of einde ven de periode waarover loon/uitkering/pensioen/alimentatie ontvangen wordt) en ten dele voor andere doelen bedoeld (met name toeslagen, die betrokkenen veelal zullen krijgen, zoals huur- , zorg- en energietoeslag). Ons lijkt het meer gezocht te moeten worden in een bredere formulering, die zoveel mogelijk aansluit bij de begripsbepaling in art 1c. Een suggestie om onze bedoeling te verduidelijken: de financiële positie van de aanvrager, gebaseerd op zijn inkomsten, strikt noodzakelijke uitgaven, bezittingen op bank- en spaarrekeningen en schulden, leidt zonder (gedeeltelijke) toewijzing van de aanvraag tot voor betrokkene(n) schrijnende en voor de maatschappij onacceptabele gevolgen.

Reactie: We kunnen de redenering van de Adviesraad Sociaal Domein volgen. We verwijderen artikel 4, lid 2.

De andere voorgestelde wijzigingen volgen we niet op. Voorwaarden en criteria zijn noodzakelijk om toetsing mogelijk te maken. Anders is het voor de besluitvormer niet mogelijk om een goed onderbouwd besluit te nemen. Naar ons inzicht is het noodfonds er voor schrijnende noodsituaties en niet om periodieke betalingen over te nemen. Daarom is het van belang dat lid 1b blijft zoals het is geformuleerd. Verder vinden wij het ook belangrijk dat er wordt gekeken of een inwoner uit een schrijnende situatie kan worden gehaald of dit kan worden voorkomen. Een bijdrage uit het Sociaal Noodfonds kan daarbij helpend zijn. Wij vinden het daarom niet wenselijk om een aanvraag toe te staan als de situatie niet verbetert. De vraag ontstaat dan wat de toegevoegde waarde van het Sociaal Noodfonds is. Daarom hebben we ook artikel 4, lid 3 opgenomen. Als laatste nemen we de bredere formulering van artikel 1c niet over. In de toelichting van de beleidsregels is beschreven dat er rekening gehouden dient te worden met eventueel nog te verwachten, afschrijvingen van vaste lasten.

De beleidsregels kent een hardheidsclausule. Indien nodig kan hierop worden teruggevallen. Het is aan de besluitvormer om te beoordelen of dit nodig is.

Antwoorden op vragen

  1. Door een representant van een bij ons aangesloten organisatie wordt gevraagd waarom in de toelichting van voorliggende voorziening de Parochiële Caritas Instelling (PCI) en de Diaconie niet genoemd

Antwoord: De PCI en Diaconie zijn voorliggende voorzieningen, maar worden in deze beleidsregels niet genoemd als uitsluitingsgronden. Wij vinden niet dat iemand eerst een aanvraag bij de PCI en Diaconie moet hebben ingediend en dat deze moet zijn afgewezen, voordat diegene in aanmerking komt voor het Sociaal Noodfonds. Zo hebben we het ook afgestemd met de PCI en Diaconie.

  1. In veel gevallen zal de financiële situatie in een huishouden aan de orde zijn. In de tekst wordt dit begrip niet gebruikt, maar gaat het om individuele personen (art. 1.c. 4.1.f, 4.2, 4.3). Klopt dat wel? Overigens vinden we dit ook een reden om niet limitatief vast te stellen dat een inwoner maar eenmaal per kalenderjaar een beroep kan doen op het Noodfond. Mag dat bijvoorbeeld dan wel eenmaal voor de ene partner en de andere maal in het kalenderjaar voor de andere partner in één huishouden? Vanaf welke leeftijd mag iemand zelfstandig een beroep doen op het fonds, gezien de begripsbepaling van inwoner in art. 1d?

Antwoord: Het kan voorkomen dat een noodsituatie in een huishouden aan de orde is. Echter dient de aanvraag dan, zoals bij alle hulpverlening, namens één persoon in het huishouden gedaan te worden. We hebben geen uitsluitingsgrond dat een er binnen een huishouden maar door één persoon een aanvraag gedaan mag worden. Dit is ook niet wenselijk, aangezien het om individuele problemen binnen een huishouden kan gaan. Het is daarom mogelijk dat verschillende inwoners binnen een huishouden een aanvraag kunnen indienen.

We willen in de beleidsregels geen harde leeftijdsgrens opnemen. We handelen in lijn met de

bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Een minderjarige is niet handelingsbekwaam, en kan daarom in beginsel niet zelfstandig een aanvraag indienen zonder een ouder of wettelijk vertegenwoordiger. We kunnen ons echter situaties voorstellen dat een jeugdige minderjarige eventueel ook een beroep wil doen op het noodfonds, maar dat een ouder of wettelijk vertegenwoordiger ontbreekt. We willen deze jeugdige niet op voorhand uitsluiten.

  1. Is het echt verantwoord om aan de besluitvormer te mandateren of er door het college

voorwaarden verbonden worden aan de toekenning? Moet het eisen van dergelijke voorwaarden standaard in de interne procedure doorgesproken en besloten worden? Zou een dergelijke voorwaarde niet onder een strikt juridische loep kunnen komen te liggen? Wie houdt toezicht op de uitvoering en wat als de uitvoering niet slaagt?

Antwoord: Als we het goed begrijpen verwijst deze vraag naar artikel 4, lid 3. Het is verantwoord om de besluitvormer te mandateren om voorwaarden op te stellen. De besluitvormers zijn hulpverleners en gespecialiseerd in financiële situaties. Verder is het een kan-bepaling, wat betekent dat het niet standaard wordt besproken en besloten. De besluitvormer en/of hulpverlener houdt toezicht op de uitvoering. De voorwaarden worden besproken met de aanvrager en worden vastgelegd. Wat er gebeurt als de uitvoering niet slaagt wordt hierin afgesproken.

  1. Zou het niet wenselijk zijn ook de mogelijkheid van het verstrekken van een renteloze lening op te nemen voor de volgende twee situaties:
    1. Het zal soms lang duren voordat volledig duidelijk is of een voorliggende voorziening te verkrijgen valt. Als er een acuut betaalprobleem is, dan kan een lening uitkomst bieden. Als de voorziening alsnog komt, dan krijgt het Sociaal Noodfonds dat geld; zo niet, dan wordt de lening omgezet in een gift.
  1. Het kan een enkele keer voorkomen, dat er alleen een tijdelijk financieel tekort met ernstige gevolgen is. In dat geval is een (volledige) schenking te royaal, maar kan door een lening veel leed voorkomen

Antwoord: Wij vinden het niet wenselijk om te werken met een renteloze lening, ook niet voor de genoemde situaties. In veel gevallen is het creëren van een nieuwe schuld geen oplossing. De administratieve last voor het verstrekken van een lening is bovendien vaak groter dan het bedrag dat wordt gevraagd. In de eerst genoemde situatie zou een inwoner terecht kunnen bij de PCI of Diaconie.